k o r  g o u t b e e k
t e k s t
n a t u u r
i n t e r n e t c o n c e p t e n
c o l u m n s
z a k e l i j k e  i n f o
v r a a g  e e n  o f f e r t e  a a n
  t e k s t   c o l o f o n
    h o m e
    a d r e s g e g e v e n s
   

 

 

 

Wilde Kat bij Nijmegen: eerste zekere vondst in Nederland

Op 13 juni 1999 vond ik een dode kat in de Groenlanden (Ooijpolder) op zo'n 3 kilometer ten noordoosten van het centrum van Nijmegen. Onderzoek in het Zoölogisch Museum van de universiteit van Amsterdam heeft inmiddels aangetoond dat het ging om een wilde kat (Felis sylvestris).

Schedelmeting
Dit kon vastgesteld worden door metingen aan de schedel: de wilde kat heeft namelijk een andere verhouding tussen schedellengte -en volume dan de huiskat (Felis catus). De vondst is het eerste bewijs van de aanwezigheid van wilde katten in Nederland, hoewel er al tientallen meldingen zijn van sporen en 'zichtwaarnemingen', vooral uit Limburg. Voor de wetenschappelijke wereld tellen deze niet, omdat daarbij nooit 100% uitgesloten kan worden dat het om een huiskat gaat. Het gevonden dier was een jong, groot mannetje, dat volgens boswachter Harry Woesthuis van Staatsbosbeheer al zeker twee tot drie jaar in het gebied leefde (hij had hem alleen niet als wilde kat herkend). Jonge mannetjes kunnen ver zwerven om een nieuw territorium te veroveren. De afstand tot de Eifel, waar de grootste nabije populatie huist, is ruwweg 150 kilometer.

Populatiegroei in Eifel
In het Duitse Reichswald, zo'n 20 kilometer naar het zuidoosten van de vondst (richting de Eifel dus) werd midden jaren '80 al een waarschijnlijke wilde kat gevonden. Dat de wilde kat nu Nederland binnentrekt, is niet zo verwonderlijk: de populatie in de Eifel is de afgelopen tien jaar gegroeid van zo'n 300 naar 1000 dieren. De komst van de wilde kat is vanuit ecologisch perspectief een mooie verrijking van onze magere fauna aan wat grotere roofdieren: we hebben nu alleen de vos. De das is wel net zo groot, maar eet vrijwel uitsluitend regenwormen en kan daarom nauwelijks als 'roofdier' worden betiteld. De wilde kat is een schuwe, nachtelijke jager die voor ongeveer driekwart leeft van muizen, konijnen en hazen en voor een kwart van vogels.

Jacht
Het voorkomen van wilde katten in Nederland zal consequenties moeten hebben voor de opleiding van jagers. De wilde kat is namelijk sinds 1998 een wettelijk beschermde diersoort (met het oog op zijn mogelijke komst in de toekomst). En dit terwijl 'verwilderde' huiskatten nog gewoon worden neerschoten: naar schatting van de KNJV minimaal 8.000 per jaar. Jagers moeten dus in het vervolg het onderscheid tussen een huis- en wilde kat feilloos kennen, willen ze de wet niet overtreden. Om ze hierbij alvast behulpzaam te zijn volgen nu de verschilpunten met de huiskat: de wilde kat is zwaarder en gedrongener, heeft een forsere, bredere kop, kleinere oren, kortere poten, een donkerder neus, 'n dikkere pluimstaart met enkele zwarte ringen en een ronde, zwarte eindpunt. (100% zeker kan een jager nooit zijn, maar bij de geringste twijfel dus: niet schieten!) Kruisingen tussen wilde katten en huiskatten zijn overigens zeldzaam, zo blijkt althans in de Eifel en in Schotland. Kennelijk zien ze elkaar niet als soortgenoten.

Uitgebreidere info:

Vondst dode Wilde kat (Felis sylvestris, Schreber 1777) bij Nijmegen

Op 13 juni 1999 vond ik een dode kat. De vindplaats was de Groenlanden (Ooijpolder) op zo'n 3 kilometer ten noordoosten van het centrum van Nijmegen. Voor foto's van het dood gevonden dier: www.vloedlijn.nl/wildekat.html. Onderzoek op het Zoölogisch Museum in Amsterdam toonde aan dat het om een wilde kat ging. (Van Bree, pers. corr.) Dit werd vastgesteld door metingen aan de schedel: de wilde kat heeft namelijk een andere verhouding tussen schedellengte -en volume dan de huiskat (Felis catus). Zie tabel 1. (p.95 uit Piechocki, 1990)
Het gevonden dier was een jong mannetje (Van Bree, pers.med.). Hij leefde waarschijnlijk al twee tot drie jaar in het gebied (Woesthuis, pers. med). Sinds 10 jaar zijn er tientallen meldingen van sporen en 'zichtwaarnemingen' uit Midden- en Zuid-Limburg van enkele specialisten, die zich in het dier verdiept hebben (Backbier, pers. med.). Niet zo verwonderlijk omdat op slechts 15 kilometer van de grens met Nederland al wilde katten voorkomen (Libois, 1991). Er zijn ongetwijfeld nog veel leemtes in onze kennis over het voorkomen van wilde katten in Nederland, want het is een schuw, meest nachtelijk levend dier, waar onze vogelaars en andere natuurliefhebbers nog niet vertrouwd mee zijn.
Bij sporen en zichtwaarnemingen kan meestal niet uitgesloten worden dat het om een huiskat gaat. (Overigens kan bij het gevonden dier niet uitgesloten worden dat het om een ontsnapt exemplaar uit bv. een van de Duitse wildparken gaat.) Jonge mannetjes kunnen ver zwerven om een nieuw territorium te veroveren. De afstand tot de Eifel, waar de grootste nabije populatie huist, is ruwweg 150 kilometer. Uit de literatuur zijn zwerftochten van jonge mannetjes van meer dan 100 kilometer bekend (Krapp, 1993). In het Duitse Reichswald, zo'n 20 kilometer naar het zuidoosten van de vondst, werd midden jaren '80 al een waarschijnlijke wilde kat gevonden. (Thissen, Müskens, pers. med.) De kans dat de wilde kat zich vroeg of laat in Nederland vestigt is niet zo denkbeeldig omdat de populatie in de Eifel groeide van 300 naar 1000 dieren tussen 1990 en 2000 (Biostation Euskirchen, 2001). In een groeiende populatie gaan relatief veel dieren zwerven op zoek naar nieuwe territoria.
Als wilde katten vaker opduiken in Nederland zal dat consequenties moeten hebben voor de opleiding van jagers. De wilde kat is namelijk sinds 1998 wettelijk beschermd, terwijl er jaarlijks nog duizenden verwilderde huiskatten worden afgeschoten. Jagers moeten dus in het vervolg het onderscheid tussen een huis- en wilde kat feilloos kennen, willen ze de wet niet overtreden. En dat verschil herkennen in het veld, valt nog niet mee.

Verschilpunten (naar Piechocki, 1990)

Wilde kat (Felis sylvestris) Huiskat (Felis catus)
1. grote schedelinhoud (32,5-50 cm3) kleiner (20-35 cm3)
2. korte darmen (1100-1700 mm) langere (1550-2540 mm)
3. witte, opvallende snorharen minder wit, minder opvallend
4. neusspiegel licht vleeskleurig meestal donker
5. oren klein, rond oren groter, driehoekig
6. brede kop, plompe bouw smallere kop, slankere bouw
7. ronde, langbehaarde, stompe staart vrijwel altijd kortbehaard, spits toelopend
8. altijd zwarte staartpunt en 3-4 ringen zelden dit patroon

De verschillen zijn meestal niet onderscheidend, omdat huiskatten zeer variabel zijn: er zijn ook enorme dieren met dikke pluimstaarten. Kruisingen tussen wilde katten en huiskatten zijn overigens zeldzaam, zo blijkt althans in de Eifel en in Schotland. (Biostation Euskirchen, Piechocki, 1990)
Kennelijk zien ze elkaar niet als soortgenoten. Was dit wel zo geweest dan was de wilde kat waarschijnlijk al lang verdwenen als genetisch zuivere soort: in Duitsland bijvoorbeeld overtreft het aantal verwilderde huiskatten verre het aantal wilde katten. (Görner, 2000, Krapp 1993)

Artois, M. & H. Maurin 1992 Le chat sauvage Encyclopedie des carnivores de France no 17
Bree, P.J.H. van 1959 De Kat uit Haelen Natuurhistorisch Maandblad 48 114-117
Bree, P.J.H. van 1963 De Wilde kat een nieuwe zoogdiersoort voor Nederland,
Natuurhistorisch Maandblad 52 24-28
Bree, P.J.H., P.J.A. van Mensch & R.W.M. van Soest 1971 Nog eens over wilde katten,
verwilderde katten en huiskatten Natuurhistorisch Maandblad 60 105-107
Görner, M 2000 Zum Vorkommen der Wildkatze in Thüringen von 1800 bis 2000
Artenschutzreport Heft 10 54-60
Krapp, F & M. Stubbe 1993 Handbuch der Säugetiere Europas, Band 5: Raubsäuger -
Carnivora 1076 - 1118 (der wildkatze)
Libois, R.M. 1991 Atlas des mammiferes sauvages de wallonie. Le chat sauvage (Felis
sylvestris Schreber 1777) Cahiers d' Éthologie 11 81-90
Piechocki, Die Wildkatze, 1990, A Ziemsen Verlag Wittenberg Lutherstadt, Duitsland

Internet:
www.loebf.nrw.de/presse99/katze.htm
, opgevraagd 20 maart 2002
www.biostationeuskirchen.de opgevraagd 20 maart 2002
www.general-anzeiger-bonn.de/news/2000/11/27/2000_11_27_05.html opgevraagd 25 maart 2002

Per mail en telefoon ben ik geïnformeerd door: dhr. P.J.M. van Bree (Zoölogisch museum Amsterdam), Chris Smeenk, (Naturalis) Maurice de La Haye (VZZ) Annemarie van Diepenbeek (sporenexpert) Theo Wijers (voorlichter Staatsbosbeheer) Harry Woesthuis (boswachter Staatsbosbeheer) Gerard Müskens (Alterra) Chris van Turnhout & Frank Willems (beide Sovon) dhr. Tank (jachtopzichter) Alphons van Winden (Stichting Ark) Manfred Trinzen (Biostation Euskirchen, Rheinland-Pfalz) Leo Backbier en Johan Thissen. Allen bedankt!

   
 

   
 


© v l o e d l i j n - 2004