|
|
Stille sterfte
Herfst in het bos. Bladeren dwarrelen
van de bomen, planten schrompelen ineen en sterven af.
Met schallende trompetten marcheert het leven ons land binnen om
het met stille trom weer te verlaten. Ook dieren gaan massaal dood
- toch merken wij daar maar bar weinig van. Hoe komt het dat toch?
Lente doet leven
Bomen loopt uit, knoppen barsten
open, de natuur jubelt, zingt zich zelfs compleet schor. Zangvogel-
en muizenpaartjes zetten tientallen piepende jonkies op de wereld,
kikkers leggen honderden eitjes en vissen zelfs duizenden - een
ware explosie aan leven! Je kunt op je vingers natellen dat na deze
vloed weer eb moet volgen. Laagtij valt aan het eind van de zomer,
de herfst en de daaropvolgende winter. Op dezelfde schaal als er
nieuw leven opduikt in het voorjaar, wordt er in het najaar doodgegaan.
Hartje winter ligt bijvoorbeeld het aantal kleine zoogdieren en
zangvogels op minder dan 20% van wat er hoogzomer allemaal dartelt
en fladdert door beemd en veld. Een eenvoudig rekenvoorbeeld laat
dat zien.
Over bosmerels en meer
Er zijn in Nederland zo'n miljoen merelpaartjes volgens de laatste
schattingen van het SOVON. Dat wil zeggen: twee miljoen broedende
merels. Die leggen twee tot vier keer per jaar zo'n 4 tot 5 eieren,
dus krijgen gemiddeld pakweg 14 jongen per jaar. Het aantal merels
loopt dus in het broedseizoen op van 2 miljoen naar 16 miljoen.
Maar het volgende voorjaar zijn het er weer twee miljoen: in de
tussentijd zijn er dus 14 miljoen gesneuveld. Waardoor? Ziekte,
ongelukken, ondervoeding, onderkoeling in de winter en roofdieren.
De diepere oorzaak is dat er simpelweg geen plaats is voor zóveel
jonge dieren: de territoria zijn al verdeeld, alleen een enkele
sterk jong weet een opengevallen plek te veroveren. De rest trekt
rond, weet niet op tijd een territorium te veroveren, lijdt daardoor
aan ondervoeding, wordt vatbaar voor ziekten of gemakkelijk te vangen
door een roofdier. Roofdieren kunnen overigens maar een klein deel
van die enorme aantallen jongen oppeuzelen. Want elk jaar sterven
er in ons land zeker honderd miljoen zangvogels en honderden miljoenen
kleine zoogdieren. In dat licht is het raadselachtig waarom we in
een herfstbos niet door een laag muizen- en vogellijkjes moeten
waden. Hoe komt dat? het toch dat je vrij zelden een dood dier vindt?
Ten eerste omdat mijn schets nogal theoretisch is: die 'grote sterfte'
is in werkelijkheid uitgesmeerd over meerdere seizoenen, globaal
van april tot januari. Op geen enkel moment zijn er werkelijk 16
miljoen merels in Nederland: veel jongen van het eerste legsel zijn
al omgekomen, voordat de jongen van het tweede legsel zijn uitgevlogen.
Ten tweede liggen dode dieren vaak verscholen onder planten of tussen
bladeren. Maar de belangrijkste sleutel tot de ontrafeling van dit
mysterie zijn de doodgravers, een groep aaskevers.
De laatste eer voor dode bosmuizen
In Nederland komen 8 soorten doodgravers voor, waarvan Necrophorus
investigator de gewoonste is. Deze stevige kevers zijn zeer algemeen,
maar worden toch nauwelijks opgemerkt. Ze vliegen namelijk vooral
's avonds en 's nachts, als ze op weg zijn naar een zangvogel- of
muizenlijkje. Op wel 3 kilometer afstand ruiken ze die. Vaak zijn
ze al binnen een uur na het overlijden van bijvoorbeeld een bosmuis
ter plekke. In een experiment waarbij 50 muizenlijkjes in een bos
werden uitgelegd, werd maar liefst 80% opgespoord door de doodgravers.
Naast aasvliegen zijn rode bosmieren hun meest geduchte concurrenten:
zij weten het lijkje ter plekke binnen een paar uur te demonteren
en in onderdelen mee te slepen naar hun nest. Maar als ook een rondstruinend
wild zwijn ze niet vóór is geweest, gaan het mannetje
en vrouwtje van de zwart-oranje kever aan de slag. Eerst bijten
ze met hun sterke kaken de haren van de muis. Wat er overblijft
rollen ze op tot een vleesbal met een zo klein mogelijke oppervlakte.
Schimmels en bacteriën hebben dan zo weinig mogelijk aanhechtingsplaatsen
op het kadaver. Vervolgens graven ze het in de grond. Doodgravers
tonen zich daarin ongelooflijk sterk: de tien keer zwaardere bosmuis
wordt tot wel 20 centimeter onder de grond gestopt. En dat binnen
twaalf uur! Het vrouwtje legt 15 eitjes in een gangetje bij de ingegraven
kever. Zij voert later haar larven met voorgekauwde hapjes van het
muizenkarkas.
Dood doet leven!
Al die begraven dode dieren zijn wezenlijk voor het functioneren
van het bos-ecosyteem. Hun botten worden uiteindelijk door schimmels
en bacteriën verteerd tot de mineralen waaruit ze ooit opgebouwd
werden. In de arme podzolbodems waar onze meeste bossen op groeien,
vormen dode dieren een van de weinige bronnen van bepaalde mineralen
als calcium en fosfor. Dat zijn weer onmisbare voedingsstoffen voor
bomen. Zo is de natuurlijke cyclus weer rond: de stoffen die het
lichaam heeft opgeslagen, komen weer beschikbaar voor het ecosysteem.
Als de bomen zelf weer doodgaan vormen ze nog steeds een belnagrijke
component van het bos. Een natuurlijk bos is rijk aan dood hout.
Dat maakt 30-40% uit van àl het hout en bijna de helft van
alle planten- en diersoorten leeft daar op de een of andere manier
van. Paddestoelen, varens, korstmossen en mossen groeien op omgevallen
boomstammen. Honderden soorten insecten graven hun gangen in vermolmd
hout en zijn weer het voedsel van de spechten met hun lange tongen.
Spechten hakken vooral in dode staande bomen holten uit, waarin
holenduiven, marters en uilen hun nest kunnen maken. En vleermuizen
slapen overdag in de schorsspleten en holtes van de grillige, fraaie
boomkarkassen. Leven en dood zijn dus op talloze manieren met elkaar
vervlochten in natuurlijke ecosystemen. Ook al worden de meeste
wandelaars in het herfstbos liever niet met een dood dier geconfronteerd
- met dank aan de doodgraver.

|
|
|