k o r  g o u t b e e k
t e k s t
n a t u u r
i n t e r n e t c o n c e p t e n
c o l u m n s
z a k e l i j k e  i n f o
v r a a g  e e n  o f f e r t e  a a n
  t e k s t   c o l o f o n
    h o m e
    a d r e s g e g e v e n s
eigen werk - schrijftips - schrijfboeken
   

 

 


Schrijftips

"Hé, daar huur ik jou toch voor in, ík hoef toch niet beter te leren schrijven?", denk je misschien. Mis. Iedereen heeft baat bij heldere schriftelijke communicatie: er is al wartaal genoeg in de wereld.
Bovendien helpt goed schrijven om je gedachten goed te ordenen en te verhelderen.

Je maakt als schrijver binnen seconden talloze onbewuste keuzes: daarom dat woord daar en die zin toch maar weer geschrapt. Je maakt gebruik van gereedschappen als structuur, stijl, spelling, grammatica, ritme en alliteratie. Vraag je daarbij vooral af: wat brengen mijn woorden en zinnen over? Begin heel basaal. Begrijpt de lezer wat jij schrijft? Zou het hem interesseren? Sluit het aan op zijn belevingswereld? Kan hij het anders opvatten dan jij bedoelt? Onderstaande richtlijnen moeten niet verworden tot een keurslijf, dus wijk er gerust van af als je dat nodig vindt. De tips dienen vooral als leuning op het moment dat je dreigt uit te glijden. Ontbreken er nog tips of ben je het met sommige niet eens? Mail me!

Ga direct door naar:
Stijl

Structuur
Inhoud

Wanneer je je schrijfvaardigheid nóg verder wilt verbeteren kun je hier lezen welke boeken handig zijn.

Stijl

  1. Een zin heeft een links-rechts principe; vooraan begin je met het bij de lezer bekend veronderstelde, bij dat wat aansluit bij zijn belevingswereld (thema) In het tweede zinsdeel komt het informatieve: wat is er mee aan de hand? (rhema) bijvoorbeeld: onze poes heeft een muis gevangen.
  2. Schrijf zoveel mogelijk actief (werkwoorden in de bedrijvende vorm).
  3. Schrijf zoveel mogelijk in de tegenwoordige tijd.
  4. Wissel de zinslengte af, gebruik zo nu en dan heel korte zinnen (5-10 woorden) met korte zinnen bouw je spanning op die je in lange zinnen weer ontlaadt.
  5. Gebruik zinnen van meestal niet meer dan 25-30 woorden.
  6. Wissel niet te abrupt van stijl: geen verheven naast alledaagse woorden.
  7. Vermijd herhalingen van woorden, zoek equivalenten, goede synoniemen.
  8. Gebruik uitweidingen voor één syntactisch deel van de zin: overlaad de zin niet.
  9. Vermijd cliché's: 'het overleg was constructief' of 'de sterke arm der wet'.
  10. Vermijd tangconstructies: dwz. dat twee delen van de zin ver uit elkaar staan met daar tussen een uitweiding over het eerste deel van de zin.
  11. Schrijf foutloos: spelling volgens Groene boekje of Van Dale.

Structuur

  1. Neem voor elke nieuwe gedachte een nieuwe zin, liefst nieuwe alinea.
  2. Gebruik korte alinea's, waarin één punt, argument of aspect wordt uitgewerkt.
  3. Hanteer een duidelijke structuur en geef de structuur ook helder aan.
  4. Zorg voor een duidelijke inleiding, middenstuk en slot.
  5. Zorg voor een duidelijke lead: een paar zinnen die de lezer moeten prikkelen om het artikel te gaan lezen en die kort aangeven waar het artikel over gaat: beloof echter nooit meer dan je waar kunt maken!
  6. Zorg voor kernzinnen (topics) die samen de rode draad van het artikel vormen: als je de kernzinnen alleen gebruikt moet je een goede samenvatting van het artikel krijgen.
  7. Schrijf zoveel mogelijk chronologisch of hanteer een andere inzichtelijke opbouw van het artikel.
  8. Zorg voor een heldere structuur van de zin, zodat deze zo eenduidig mogelijk te interpreteren is: schrijf dus ondubbelzinnig, verlang nooit van de lezer dat hij de zin nog een keer leest.
  9. Zorg voor voldoende ordenende aanduidingen: dus, daarom, als gevolg daarvan etc.
  10. Gebruik tussenkopjes

Inhoud

  1. Gebruik de vragen wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, waarmee, waardoor, waartoe, om je verhaal rondom op te bouwen.
  2. Werk bij voorkeur vanuit het bij de lezer bekende naar het onbekende.
  3. Specificeer: gebruik voorbeelden, feiten, cijfers, desnoods anekdotes om een bewering of stelling te staven en vraag daar in interviews expliciet naar.
  4. Geef details.
  5. Gebruik beeldende taal, woorden die duidelijk en concreet een situatie aangeven en niet algemeen en abstract zijn. "De voorzitter beende boos weg" ipv "Het had er de schijn van dat de voorzitter deze mening niet kon delen".
  6. Gebruik alleen voor het verhaal strikt relevante informatie.
  7. Wees zuinig en effectief in het gebruik van bijvoegelijke naamwoorden.
  8. Vermijd vage algemeenheden, dor hout, ambtelijke taal als Rijkswaterstaat heeft de intentie in deze fase een beleidsontwikkeling in te zetten die moet leiden tot flexibilisering van het kader... Zorg dat er iets concreets staat, bijvoorbeeld: Rijkswaterstaat gaat de sluizen voorlopig niet openzetten.
  9. Voer personen op waar dat mogelijk is: mensen lezen graag over mensen.
  10. Citeer wat gezegd is.
  11. Gebruik afgeronde getallen.
  12. Wees zuinig met vaktaal.


top

   
 

   
 


© v l o e d l i j n - 2 0 0 6