k o r  g o u t b e e k
t e k s t
n a t u u r
i n t e r n e t c o n c e p t e n
c o l u m n s
z a k e l i j k e  i n f o
v r a a g  e e n  o f f e r t e  a a n
  t e k s t   c o l o f o n
    h o m e
    a d r e s g e g e v e n s
Katten onder de kabouterboom
 

 

 

 

"Papa, kabouters bestaan toch helemaal niet?". Mijn zoon van vijf kijkt me
vragend aan. Wij staan samen onder de legendarische Kabouterboom. Het is een vroege herfstochtend, waarop het gouden zonlicht in smalle waaiers door het bladerdek breekt van de majestueuze tamme kastanje. Nevels sluieren over de bosbodem, de lucht is vrieskoud, boomklevers roepen luid. Merels en eekhoorns scharrelen in de knisperende laag bladeren, waarin duizenden kastanjes moeten liggen. Wij kijken naar de gegroefde stam van de dikste boom van Nederland: de Kabouterboom heeft een omtrek van bijna negen meter. Tamme kastanjes zijn
karakteristiek voor de bossen rond Nijmegen. Ze zijn hier twee millennia
geleden gebracht door de Romeinen, die in Nederland nergens anders dan hier een compleet legioen legerden. Aan de voet van de boom vinden we rare kleine ovale afdrukjes, die zo van kabouters zouden kunnen zijn. Maar ja, die bestaan niet, dus hebben we een andere hypothese nodig. En ik ben eigenlijk ook op zoek naar iets
anders. Een ander spoor.

Een paar dagen daarvoor. Ik wacht bij het Gelredome voor de stoplichten als er ineens een kalende 50-plus hippie voor mijn auto springt. 'Klop-klop' op de vooruit, een vragende blik. "Naar Nijmegen?", roept hij boven zijn zandgrijze vlasbaardje. "Oké, stap snel in", zeg ik als het groen wordt,
enigszins overrompeld. "Woon jij in Nijmegen?" steekt hij van wal, terwijl
hij talrijke onbenoembare luchtjes mee de auto inneemt: "Ik kan je verhalen vertellen, jongen, dan zijn we daar zo. Ik heb alles meegemaakt in die mooie rotstad. Vechten in de Piersonstraat met de ME, inbreken bij de Politie Inlichtingen Dienst, blokkades bij de Dodewaard, jongen wat een tijden waren dat. Alles is kut nu, in de stad. Niemand vecht toch meer ergens voor? Betuwelijn, Waalsprong, alles wordt er gewoon doorgedrukt. Daarom heb ik me teruggetrokken. Mensen, daar geef ik weinig meer om. Ik woon illegaal in een ouwe caravan in de bossen bij Beek, buiten de gevestigde orde."
"Alleen?" vraag ik. "Met 12 kippen", lacht hij. "Of nee, 11, eentje is
gegrepen door een rare, grote kat." Ik glimlach. "Met een kort staartje"
vervolgt hij. "Lynx!" flitst door m'n hoofd. Een prachtige katachtige
waarvan nog geen enkele bevestigde waarneming in Nederland is. "Wát?" zeg ik. "Ja, met zo'n zwart kwastje. Ik weet ook niet wat voor een kattenras dat is. Zet me maar af bij het Trajanusplein, ik wil nog even wat scoren bij Dr. Paddo. Met wat ik zelf in het bos oogst, wil het nog niet zo goed lukken." Mijn hartslag zakt al weer wat terug, want tja, bij paddogebruik zul je zelfs wel arenden zien op het Valkhof.

Die nacht slaap ik onrustig, alsof ikzelf paddo's heb gebruikt. Ik droom
over eindeloze, donkere bossen waarin wisenten, wolven en lynxen opdoemen. En vanuit de mist zelfs kabouters, elfen en trollen. Als Jaap Dirkmaat opeens fulmineert tegen de dramatische achteruitgang van de Duivelsgnoom, schrik ik wakker. Ik kruip achter mijn PC en spit in de
archieven van regionale mailinglijsten waar vogelwaarnemingen worden
uitgewisseld. Op zoek naar iets over de lynx. Zo kom ik kom op het spoor van een Venloër die beweert tientallen lynxensporen en -prooiresten gevonden te hebben in de Maasduinen, een tienduizend hectare groot bos- en heidegebied op de grens van Limburg en Duitsland, niet ver van de bossen op de Nijmeegse stuwwal. Ik bel hem op. Hij blijkt goed ingevoerd in de Duitse litteratuur over wilde kat en lynx. "Ze willen niet met me mee om de sporen te zien, ze geloven er niet in. Ach, al die natuurambtenaren, die komen toch nooit meer in het veld? Die zijn constant formulieren aan het invullen om hun 146 natuurdoeltypen te verantwoorden! Misschien zijn ze ook wel bang dat Nederland er nog niet aan toe is. Jagers en jachtopzieners zullen de grote katten zo snel mogelijk willen neerschieten, vóór ze de status van een
beschermde diersoort kunnen krijgen. Bovendien gaan hobbyboeren klagen als kleinvee gevaar loopt. Ook met wilde zwijnen die hier overal en
nergens rondstruinen wordt de doodzwijg-tactiek toegepast. Ophef zou
averechts werken. Pure angst dus." Ik bel daarna een lokale beheerder om een en ander te verifiëren. "Ben je zelf wel eens bij zo'n vermeend spoor gaan kijken?" vraag ik hem. "Nee, natuurlijk niet, je denkt toch niet dat ik dit serieus neem? Rond de carnaval worden hier ook altijd panters en poema's gezien!"

"Kijk pap, een tijgerpoot!" Mijn zoon heeft dankzij een cd-rom interactief
diersporen leren herkennen. Best leerzaam, maar van de grootte van een spoor heeft hij nog geen flauw idee.
Ik kijk in eerste instantie vluchtig, maar dan versnelt mijn hartslag. Ik staar secondes lang volkomen gebiologeerd naar een pootafdruk in de modder,
die naar van geen enkel ander dier kan zijn dan van een lynx. Een minuut
later slaan de twijfels al toe. Ik vind geen andere mooie afdruk in
de buurt. Ik kijk nog 'ns goed naar de pootafdruk en kniel op de grond. Vier tenen. Zes centimeter breed. Geen nagelafdrukken, een onmiskenbaar kattenspoor. "Misschien bestaan kabouters toch", fluister ik tegen m'n zoon.

 

 

top

   
 

   
 


© v l o e d l i j n - 2003