|
|
Nederlands dynamische delta: economisch en ecologisch benutten
Sinds
1962 is Rotterdam de grootste haven ter wereld. Een wereld op zich
met zeehavens, opslagloodsen, sluizen, kanalen, rivieren, viaducten,
tunnels, bruggen, trein-, tram- en metrolijnen, autowegen, een luchthaven,
hoogspanningsleidingen, buisleidingen en telefoonkabels: van alles
wat onder infrastructuur gerekend wordt is hier op elkaar gepakt.
In de Rijnmond wordt jaarlijks 300 miljard kilo aan goederen gelost
van meer dan 30.000 zeeschepen. Bijna 10% van het Bruto Nationaal
Product wordt hier gegenereerd. Rotterdam is de duidelijkste exponent
van Nederland als poort tot Europa. Juist de ligging aan de monding
van grote rivieren, in een delta, geeft Nederland een krachtige
positie als mainport, als distributieland. Om die Nederlandse positie
te behouden en versterken wil de rijksoverheid omvangrijk investeren
in die infrastructuur, de onderbouw van het economische leven.Volgens
de Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking
(ICES) is zo'n 100 miljard gulden nodig in de periode tot ongeveer
2010.
Nederland-Deltaland.
Niet alleen onze economie, ook onze natuur ontleent haar kracht
aan de ligging in een delta. Wadden, kwelders, kreken, rivieren,
binnenzeeën, meren, moerasbossen, rietruigtes, eilanden, venen en
duinen vormen de oorspronkelijke, natuurlijke landschappen in de
delta aan de monding van Rijn, Maas en Schelde. De gebieden die
daar nog van over zijn, onze 'wetlands', zijn bepalend voor het
internationale belang van onze natuur. Denk alleen al aan de miljoenen
water- en wadvogels uit noordelijk Europa en Azië die op adem komen
in de Waddenzee, de Zeeuwse delta en op of rond het IJsselmeer.
Denk aan het rijke en afwisselende natuurlijke landschap langs onze
rivieren met hardhout- en zachthoutooibossen, rivierduinen, kreken,
plassen en bloemrijke graslanden: een landschap dat dankzij natuurontwikkelingsprojecten
nu stukje bij beetje terugkeert. Een delta is dynamisch. Zoet of
zout water overheerst, gronden vallen droog of raken overstroomd,
oevers worden weggeslagen, zand afgezet, duinen stuiven op: alles
is in beweging. Wind en water boetseren landschappen en brengen
ecologische processen op gang waar een grote variatie aan organismen
van afhankelijk is. Omdat die krachten van zee, rivieren en wind
nog onveranderd aanwezig zijn, liggen in onze wetlands fantastische
mogelijkheden voor een snelle ontwikkeling van rijke en afwisselende
natuurgebieden, wanneer natuurlijke processen weer ruimte krijgen.
Overal kan de prinses die in onze delta rust, weer wakker gekust
worden. Dat is te ervaren in de Millingerwaard, vlak bij Nijmegen,
de stad waar Wiardi Beckman opgroeide.
We hebben
dat levende, dynamische landschap aan banden gelegd. Duinen zijn
vastgelegd, rivieren moeten zich door een keurslijf van dijken persen
en grote delen van Nederland worden voortdurend drooggemalen. De
natuurlijke processen van veenvorming en sedimentatie zijn goeddeels
uitgeschakeld. Nederland is gefixeerd in een corset. Een strak corset
dat ons soms naar adem doet snakken. Zo stijgt de zeespiegel van
nature al met 20 centimeter per eeuw, maar daar komt door het broeikaseffect
nog een stijging van verschillende decimeters bovenop. Tegelijkertijd
daalt de bodem in grote delen van west-Nederland met een snelheid
van gemiddeld 40 tot 50 centimeter per eeuw en lokaal kan dat nog
veel meer zijn. Gebieden die ooit boven zeeniveau lagen liggen er
nu 5 meter onder. Door ontwatering ten behoeve van de landbouw klinken
venige en kleiige bodems in, door die inklinking komt het grondwater
weer naar de oppervlakte, moet er weer ontwaterd worden en moeten
de meedalende dijken weer worden verhoogd. Het wordt een neergaande
spiraal van ontwatering, dijkverhoging en bodemdaling, waardoor
ons land langzaam wegzakt, met duinenrij en al. Er zijn steeds hogere
kosten gemoeid met zandsuppletie, dijkversterking en droogmalen
om onze voeten droog te houden. Bovendien dringt in het westen van
ons land steeds meer zoute kwel door in het grondwater, dat tegen
oplopende kosten bestreden moet worden.
De kafkaiaanse
situatie doet zich nu voor dat, terwijl we verder onder de zeespiegel
wegzakken, ons land met zowel droogte als overstromingen (komend
vanaf landzijde) heeft te kampen. Verdroging is een verschijnsel
dat zich de laatste jaren steeds nijpender voordoet in veel natuurgebieden.
Er is steeds meer en kostbaarder kunst- en vliegwerk nodig om in
natuurterreinen voldoende regen- en kwelwater vast te houden. We
spoelen, vooral ten behoeve van de landbouw, al dat relatief schone
water, waar veel soorten aan gebonden zijn, zo snel mogelijk door
naar zee. (Om in periodes van droogte veel vuiler Rijnwater in te
voeren!) Door die snelle afwatering kunnen er geweldige pieken optreden
in de waterafvoer zoals we in december 1993 en februari 1995 langs
de grote rivieren hebben kunnen vaststellen. Het zou beter zijn
om in onze delta veel meer water vast te houden in gebieden waar
we sedimentatie, overstroming en veengroei weer toelaten. Zo ontstaan
veerkrachtige en robuuste natuurgebieden, die biologisch bijzonder
rijk zijn. Door deze gebieden zal de sponswerking van de Nederlandse
delta weer enigszins hersteld worden en kan ons land weer omhoog
groeien, met de zeespiegel mee stijgen. We moeten juist profiteren
van onze ligging in een delta in plaats van deze te miskennen. Door
omvangrijke zoetwateropvang in wetlands zullen we ook minder last
hebben van overstromingen en verdroging. Een zegen voor de natuur,
maar ook voor onze veiligheid, de drinkwaterwinning en de recreatie.
Onze cultuurhistorie
hangt ook met het delta-karakter van ons land samen. Het gros van
onze oude, cultuurhistorisch waardevolle steden en stadjes heeft
zijn ontstaan te danken aan de ligging aan één van onze kleinere
of grotere rivieren, variërend van Hollandse IJssel en Oude Rijn
tot Waal, Linge en Amstel. Het terpenlandschap en onze polders zijn
internationaal unieke landschappen. De historie van occupatie, landaanwinning
en ontginning van ons land is innig verbonden met de in een delta
onafwendbare strijd tegen het onvoorspelbare water. Evenals natuurontwikkeling
is ook behoud en herstel van karakteristiek Nederlandse cultuurlandschappen
investeringen waard. Ook daarvan profiteert de recreatie, waaraan
in verstedelijkend Nederland steeds meer behoefte is.
Door de
mondialisering van de economie zet de verstedelijking van Nederland
verder door. Het aandeel van de Nederlandse bevolking in stedelijke
gebieden steeg van 1970 tot 1995 van circa 60% naar circa 80%: het
aandeel van de plattelandsbevolking halveerde dus in 25 jaar. De
stedeling wil zo dicht mogelijk bij de stad recreëren, maar bijvoorbeeld
het groene hart is slechts matig toegankelijk en aantrekkelijk omdat
het voor het grootste deel in handen is van de landbouw. Nederland
heeft echter voor gekozen naast mainport ook een landbouwgrootmacht
te willen zijn in de jaren '50 en '60. (in de tijd dat Mansholt
minister van landbouw en later lid van de Europese Commissie was,
hij is later op deze keuze die schaalvergroting en intensivering
behelsde, teruggekomen). We zijn landbouwexporteur en daarmee mestvaalt
van de eerste orde. De landbouw heeft 70% van ons landoppervlak
nodig om 4,5% van ons nationaal product voort te brengen, terwijl
ons land schreeuwt om ruimte. De landbouw zal moeten inkrimpen als
we erkennen dat we een stedelijke samenleving zijn met een grote
behoefte aan natuur en recreatie. Vroeg of laat zal de opgetelde
waarde van natuur, recreatie, veiligheid, CO2-buffering, drinkwater-
en delfstoffenwinning toch groter zijn dan de waarde die de grond
dankzij agrarische produktie oplevert, vooral in het westen van
ons land.
Naast
onze ligging in een delta heeft onze land nog enkele sterke kanten
die een rol bij de toekomstige inrichting van ons land zouden moeten
spelen. Zo is nergens in de wereld is het draagvlak voor natuurbescherming
zo groot als in ons land. Zo'n 2,5 miljoen mensen zijn lid of donateur
van een natuurbeschermingsorganisatie, oftewel meer dan één op de
drie huishoudens. Nederland heeft daarnaast een sterke planningstraditie;
het heeft de nationale ruimte al lange tijd zorgvuldig en efficiënt
ingedeeld, met inspraak van vele betrokkenen. Die traditie moeten
we niet los laten, ook al lijkt de realisering van sommige mega-projecten
nog zo urgent.
Nederland
begint bovendien internationale faam te verwerven dankzij het zogenaamde
'poldermodel' van onze economie. Werkgevers en vakbonden weten,
gesteund door de overheid, sinds 1982 door goed overleg de arbeidsrust
te bewaren en een matige loonontwikkeling te realiseren, waardoor
inflatie en werkloosheid laag blijven. Onder meer door die samenwerking
van 'natuurlijke vijanden' groeit onze economie als in bijna geen
enkel ander westers land en is de Nederlandse gulden een van de
'hardste' munteenheden van Europa. Als we er in slagen het poldermodel
in de arbeidsverhoudingen over te hevelen naar de strijd om de ruimte
valt er veel te winnen. We kunnen ons dan ontworstelen aan de patstelling
tussen natuur- en milieubeschermers enerzijds en bedrijven en stedebouwers
anderzijds, beide met het mes op tafel om zoveel mogelijk territorium
te veroveren, dan wel te behouden, in een soort nationaal landje-pik.
Zo'n strijd levert eigenlijk alleen verliezers op. Er zou heel veel
gewonnen zijn als maatschappelijke krachten die opkomen voor ecologie
dan wel economie een consensus zouden kunnen bereiken over hoe die
Nederlandse delta er in de volgende eeuw uit zou moeten gaan zien.
Als wij er in zouden slagen economische ontwikkeling te koppelen
aan ecologische ontwikkeling. Zodat er naast welvaart ook sprake
is van welzijn in ons land: waar naast al dat drukke 'scheppen'
ook tijd en ruimte is om te 'her-scheppen', te re-creëren. En ook
het omgekeerde geldt: ecologische groei draagt bij aan economische
groei. Want een mooi, groen land met voldoende rust en ruimte vormt
een aantrekkelijk woon- en werkklimaat en is een aanlokkelijke vestigingsplaats
voor bedrijven.
Herstel
de dynamiek van de delta en geef ruimte aan waterrijke natuur. Het
visioen van Nederland als mooier, avontuurlijker, waterrijker en
natuurrijker deltaland kan gerealiseerd worden. Met Natuurmonumenten,
de Unie van Landschappen, de Stichting Natuur & Milieu en Vogelbescherming
pleit het Wereld Natuur Fonds voor 'Veters los!', een plan om Nederland
meer ademruimte te geven door uitvoering van 11 projecten. In al
deze projecten worden investeringen in infrastructuur gekoppeld
aan investeringen in natuur, waarbij de positie van Nederland als
deltaland optimaal wordt benut. De totale kosten van de projecten
bedragen 8,8 miljard gulden, slechts een bescheiden aandeel in de
genoemde ICES-fondsen. Met dit geld kunnen vier doelen worden gerealiseerd:
een aantal ecologische sleutelgebieden wordt voortvarend ontwikkeld;
de meest waardevolle cultuurlandschappen, karakteristiek Nederlands,
worden gered en hersteld door ze een nieuwe, duurzame economische
basis te geven; een groot aantal steden en dorpen krijgt toegankelijke
natuur om de hoek, en; grote infrastucturele projecten, waarvan
nut en noodzaak aangetoond zijn, krijgen ecologisch en economisch
meerwaarde door koppeling aan natuur- en landschapsontwikkeling.
Het uitgangspunt is niet langer de directe schade aan natuur en
landschap te compenseren, want die aanpak leidt vaak tot dure lapmiddelen.
Nee, de versterking van de ruimtelijk-economische structuur moet
hand in hand gaan met de ontwikkeling van natuur en landschap.
Inkrimping
van ons landbouwareaal ten behoeve van ecologische naast economische
ontwikkeling levert een delta op waarin vele verschillende bloemen
bloeien. Om enkele ervan te noemen: grotere veiligheid langs kust
en rivieren; natuur dicht bij huis; meer mogelijkheden voor het
winnen van grind, zand en klei; grotere zoetwatervoorraden; een
grotere biologische diversiteit; betere drinkwaterwinning; rust
en ruimte om te recreëren; CO2 reductie; een schoner milieu; en
wervend vestigingsklimaat; duurzame landbouw. Je zou ze ook kunnen
kenmerken als bouwstenen aan een leefbaarder land. We leven immers
met 15,5 miljoen mensen op een klein stukje door rivieren uitgespuugd
land in het noordwesten van Europa, waar we zorgvuldig en doordacht
met elkaar en met de ruimte om moeten gaan. We moeten die ligging
in een dynamische delta niet alleen economisch, maar ook ecologisch
optimaal uitbuiten.
We hebben
dus naast een polder-model ook behoefte aan een 'delta-model': economische
groei gebaseerd op duurzaamheid, omvangrijke investeringen in infrastructuur
gekoppeld aan die in grootschalige natte natuur, meer natuurlijke
dynamiek in de delta - niet langer de natuur tegenwerken, maar met
de natuur meewerken - en niet ecologie óf economie, maar én-én.
Zodat we in Rotterdam in de volgende eeuw behalve zeeschepen ook
weer zeehonden en zeevogels kunnen zien.

|
|
|