|
|
Siv Fridleifsdóttir,
minister van Milieu Ijsland
IJsland. Een handjevol Viking-nazaten leeft hier omringd door onwaarschijnlijke
oerlandschappen: onmetelijke Jökulls (gletsjers), Sandurs (grindstranden)
Fjölls (stenige hoogvlaktes) en Hrauns (lavavelden). Moeder Aarde
lééft hier - ze spuugt, sist en sputtert via vulkanen, geisers en
zwavelbronnen. En Ijslands' fauna is spectaculair dankzij muggenmeren
vol watervogels, klifkusten met miljoenen zeevogels en walvisrijke
zeeën. Met 280.000 inwoners op 10 miljoen hectare is IJsland 150
maal dunner bevolkt als Nederland. Is er dan wel enige noodzaak
voor natuurbescherming? Het is verleidelijk om te denken dat zo
weinig mensen amper een bedreiging voor die grootse natuur vormen.
Fout. Ooit was een kwart van het land bedekt met bos: nu resteert
nog 1%. Het bos werd gebruikt voor brandstof, voor de bouw van vikingschepen
en verder weggevreten door schapen en geiten. De dunne, vruchtbare
laag aarde staat nu bloot aan wind, sneeuw en regen en spoelt gemakkelijk
weg. IJsland is qua erosie zelfs te vergelijken met Afrikaanse sahellanden.
Wat natuurbescherming aangaat heeft IJsland twee heel verschillende
reputaties. Aan de ene kant een goede, dankzij duurzame energie-opwekking
en veel beschermde gebieden. Aan de andere kant is IJsland de paria
van de internationale gemeenschap, omdat het naast Noorwegen als
enige westerse land de walvisjacht wil hervatten. Genoeg stof dus
voor een gesprek met IJslands minister van milieu, Siv Fridleifsdóttir.
Ik ontmoet haar in een vriendelijk houten gebouw in Reykjavik met
uitzicht op een grote vijver waarin wilde zwanen zwemmen. Siv oogt
als een vlotte zakenvrouw en wordt terzijde gestaan door haar meer
ambtelijk aandoende adviseur, die haar aanvult als het op feiten
en cijfers aankomt. Ze benadrukt graag hoe goed IJsland het allemaal
doet in vergelijking met andere Europese landen. En, zoals een echte
politica betaamt, blijkt Minister Fridleifsdóttir veel moeite te
hebben met een ogenschijnlijk eenvoudige vraag als: 'maar hoe profiteren
planten en dieren er zélf van als hun leefgebied Nationaal park
wordt?'. Ter vergoeilijking: de eerste Nederlandse politicus of
ambtenaar die zo'n vraag kan beantwoorden zonder 'criteria', 'beleidsintenties'
en 'regelgeving' in de mond te nemen, moet waarschijnlijk ook nog
geboren worden. Natuur alom "In het verleden accepteerde de doorsnee
Ijslander de grandioze natuur om hem heen domweg als een gegeven.
We zijn altijd een kleine natie in een groot land geweest, met een
overschot aan wildernis. Dankzij de groei van de verstedelijking
en het contact met andere landen is onze natuur in een ander licht
komen te staan. We zien nu in hoe uniek ons landschap is en dat
onze overweldigende ruimte zeldzaam is in Europa. We hebben meer
begrip en fascinatie leren opbrengen voor de vulkanische natuur
van ons land. Vroeger vormden de vele actieve vulkanen een angstaanjagende
dreiging die soms duizenden doden tot gevolg had. Maar door de moderne
waarschuwingstechnieken en evacuatie-operaties hoeven we niet meer
bang te zijn voor uitbarstingen. Integendeel, we kunnen dit fenomenale
natuurgeweld nu bewonderen. Het aantal IJslanders dat eigen land
verkent, groeit nog steeds. Net als het aantal buitenlanders dat
ons eiland bezoekt. Dat aantal nam toe van 140.000 in 1990 naar
300.000 in 2000. Nu zijn er dus voor het eerst meer toeristen dan
inwoners op IJsland. Haha, we lijken Spanje wel!" "Tussen de 80
en 90% van deze toeristen komen voor onze natuur. Zij zijn over
het algemeen milieubewust en zullen weinig schade aanrichten. Toch
kan de toename van het aantal bezoekers een grote druk leggen op
bepaalde kwestbare gebieden. In het dunne plantendek in de binnenlanden
zie je soms nóg waar 20 jaar geleden een schaap heeft gelopen! Nee,
we denken echt niet aan het afsluiten van gebieden: in ons land
kun je óveral terecht, ook buiten de paden. Maar dan wel wandelend,
per mountainbike of te paard. Het off-road autorijden willen we
aan banden leggen, dat brengt namelijk onomkeerbare schade toe aan
de plantengroei." "Dit jaar hebben we de Snaefellsjökull uitgeroepen
tot Nationaal park en volgend jaar volgt de Vatnajökull, de grootste
gletsjer van Europa, waaronder meer dan 100 vulkanen huizen. Dan
is maar liefst 20% van IJsland beschermd natuurgebied, een ongewoon
hoog percentage. Door het instellen van Nationale parken met bezoekerscentra
willen we mensen informeren over de natuurwaarden en een verstandige
omgang daarmee. We willen in National parken ook geen industriële
activiteiten, die we elders mogelijk wél zullen ontwikkelen. Nu
nog brengt vis 70% van onze buitenlandse valuta binnen, maar daar
willen we minder afhankelijk van worden. Dat gaat vrij moeizaam,
juist ook uit milieu-oogpunt. Zo wil een grote Noorse aluminiumsmelterij
zich ergens vestigen in een fjord aan de oostkust. Zo'n smelterij
heeft veel energie nodig en dat is bij ons goedkoop. We willen graag
ons enorme potentieel voor het opwekken van schone waterkracht en
geothermische energie gebruiken, maar dit brengt onontkoombaar het
bouwen van dammen, fabrieken en leidingen met zich mee. En daar
verzetten sommige natuurbeschermers zich tegen." Walvissen op bord
In 1986 staakte Ijsland onder internationale druk de walvisjacht,
maar in 1995 besloot het parlement de walvisjacht weer te willen
hervatten. 80% van de Ijslanders staat achter dat besluit. "Waarom
we dan nog niet begonnen zijn? Er dreigde een boycot van Ijslandse
visproducten door de VS en dat zou ons een kwart van onze afzet
kosten. Maar we voelen ons daardoor wel miskend: in de VS zelf mogen
de Inuit in Alaska wél op walvissen jagen! Waarom? Omdat het een
inheems volk is? Wij zijn hier al inheems sinds 830! En we zijn
immers eeuwenlang een volk van walvisvaarders geweest, dat zit gewoon
in ons bloed! De walvisvaart is een gevoelig thema in grote delen
van de wereld, omdat het publiek gelooft dat walvissen bedreigde
diersoorten zijn. De waarheid is dat veel walvissoorten algemeen
zijn. Er zwemmen bijvoorbeeld 70.000 dwergvinvissen rond IJsland.
Daar kunnen we er jaarlijks gemakkelijk 200 van oogsten, zonder
dat dat effect heeft op de populatie-omvang. En elke toekomstige
walvisjacht door IJslandse schepen zou onder strikte supervisie
staan van IJslandse wetenschappers en de International Whaling Commision."
"Ik praat vaak over de walvisjacht met politici uit Europa. Zij
voelen volgens mij wel aan dat wij gewoon gelijk hebben, maar zijn
bang voor hun achterban. Walvissen en dolfijnen eten bovendien 4
tot 5 maal de hoeveelheid vis die de totale IJslandse visservloot
aan wal brengt. Vissers klagen dan ook regelmatig over de toename
van walvissen. De kabeljauwopbrengst, in IJsland altijd voorpaginanieuws,
zou wel 'ns met 20% kunnen dalen als de walvissen blijven toenemen.
Het walvistoerisme is weliswaar explosief gegroeid sinds midden
jaren '90, maar we zien niet waarom walvisjacht en walvistoerisme
elkaar zouden bijten! Wij vinden het maar moeilijk te begrijpen
dat sommige activisten tegen de walvisjacht zijn, maar niet tegen
de jacht in het algemeen. Voor ons is er geen verschil tussen een
hert en een walvis." Op mijn tegenwerping dat walvissen net als
olifanten toch speciale, bijna magische dieren zijn waar veel mensen
een emotionele band mee voelen, kijkt ze me glazig aan. Liever legt
ze me uit dat walvisvlees erg lekker is en wijst ze op de stadsplattegrond
een restaurant aan waar je nog walvisvlees kunt eten - uit de vriezer,
van vroeger. Nee, dank u, hoogste tijd om het gesprek af te ronden.
Ze besluit: "Nederland telt goeie badmintonners, niet? Ik heb eens
in Groningen een wedstrijd gebadmintond, maar die taal van jullie,
verschrikkelijk, dat ene woord… Hoe heette dat ook weer? Een Sk..,
sk…juist ja, skeidsrechter! Daar breek je je tong toch over!" besluit
de minister uit het land waar de hoogste berg Hvannadalshnúkur heet.

|
|
|