|
|
"De wespendief is het buitenbeentje onder de roofvogels"
Dé roofvogelspecialist van Nederland
is autodidact. Rob Bijlsma deed zijn kennis op in het veld. Al 36
jaar onderzoekt hij vogels op de Veluwe en in Drenthe. Inmiddels
heeft Bijlsma honderden publicaties op zijn naam staan. Zijn favoriet
is de wespendief, het buitenbeentje onder de roofvogels.
"Een armoedzaaier als ik kan het
toch niet mooier krijgen dan dit?" Rob Bijlsma woont verscholen
in het Drents-Friese Woud, midden in zijn studiegebied van 4500
hectare loof- en naaldbos, heide, vennen, akkertjes en graslandjes.
Zijn houten huis met rieten dak staat aan een zandpad dat niet is
opengesteld voor auto's. "In de winter zie ik wel eens een
week geen mens en dat bevalt me prima. Ik pak wel een boek."
De natuur is wel altijd aanwezig. Een buizerd wiekt op de achtergrond
voorbij tijdens dit interview, terwijl in de verte een jong roept.
"Dit wijfje ken ik door-en-door, ze heeft hier al minstens
twaalf jaar een nest vlakbij." Ook de grond krioelt van het
leven. Op één vierkante meter vind je zo een sprinkhaan,
twee padjes, een bruine kikker en prachtige slanke graafwespen,
die voorzichtig uit hun holletjes in het zand gluren.
Die graafwespen zijn geliefd voedsel van de wespendief. Geen soort
houdt Bijlsma zo in z'n greep als deze rare roofvogel. "De
wespendief is totaal anders dan alle andere roofvogels. Eigenlijk
is het meer een vliegende kip. Hij heeft ovalere ogen en niet de
strenge blik van bijvoorbeeld havik en buizerd". De wespendief
mist het os supra-orbitale, een botje boven het oog dat daarvoor
zorgt. Dat botje beschermt het oog tijdens een drieste achtervolging
op snelle prooi. Dat heeft een wespendief niet nodig, want hij jaagt
op een stationaire prooi: het wespennest. "Hij is een échte
specialist die in het broedseizoen voor bijna 100% van wespen leeft.
Bovendien loopt een wespendief tot wel 30% van de tijd op de grond.
Verder is hij merkwaardig tam voor een roofvogel. Hij strijkt soms
neer in tuintjes om een wespennest op te graven."
De grote roofvogel hipt dan rond voor hij gaat graven naar het nest,
dat soms driekwart meter onder de grond zit. Als aanpassing daaraan
heeft hij een spleetvormig neusgat, zodat hij minder snel zand binnenkrijgt.
Merkwaardig genoeg is een wespendief niet ongevoelig voor wespensteken.
"Als een wesp onder z'n oksel komt zie je 'm hoog opspringen.
Maar het is moeilijk om tussen de dichte verenlaag van de vogel
door te dringen. Na tien minuten felle aanvallen houden de wespen
plotseling op. Kennelijk zien ze het nutteloze van hun actie in."
Berg aantekeningen
Bijlsma heeft geen biologie of iets anders gestudeerd, zelfs niet
op hbo-niveau. Hij heeft zich alles zélf aangeleerd. Hij
voelt zichzelf wel wetenschapper: "Ik gebruik de gevestigde
methodologie. Als ik ergens weinig verstand van heb, laat ik daar
deskundigen naar kijken. En voor een artikel verschijnt in een wetenschappelijk
tijdschrift kijken referee's er naar. Dus er zijn genoeg filters
die zorgen dat het wetenschappelijk verantwoord is wat ik doe."
Er is bijna geen vogelaar in Nederland die zoveel tijd in het veld
heeft doorgebracht en daarvan zo'n berg aantekeningen heeft gemaakt.
Bijlsma loopt al 36 jaar met gerichte aandacht buiten. "Ik
groeide op in Ede, Bennekom en Wageningen, bij de rivieren en de
Veluwe. De eerste havik zag ik toen ik tien was. Het was een mythische
ervaring. Je had er natuurlijk veel over gehoord, maar ze waren
toen nog zó schaars."
Tot nu toe maakte Bijlsma op de Veluwe 34.000 velduren en daarna
in Drenthe vanaf 1992 al 12.000. Hij noteert en kwantificeert van
alles, tot en met de hoeveelheid zwerfafval langs het zandpad bij
zijn huis. "Dat is een zigzag oplopende curve. De afvalpiek
valt natuurlijk in de zomer, maar anno 2002 ligt het winterniveau
al boven het zomerniveau van 1992." Bijlsma kan zich er boos
over maken: "Er komt steeds meer klootjesvolk, dat het geen
barst uitmaakt of ze op de meubelboulevard lopen of hier. Een Nationaal
Park dient alleen maar om de recreatie ruim baan te geven en heeft
niets met de bescherming van natuur te maken."
Bijlsma heeft honderden publicaties over vogels geschreven. Zo schreef
hij een monografie over de boomvalk, de 'Ecologische Atlas van de
Nederlandse roofvogels' en een boek over de methoden van veldonderzoek
naar roofvogels. "Ik was erg trots op mijn eerste publicatie
over waterpieper en oeverpieper in 1977 in Limosa, een tijdschrift
waar ik toen hoog tegen op keek. Het is een klassieker geworden,
omdat tot dan toe niet bekend was dat deze twee soorten zo algemeen
langs de rivieren overwinterden." Nu schrijft hij op verzoek
van de gezaghebbende Britse uitgever van vogelmonografieën
T&AD Poyser een boek over de wespendief.
Een vak apart
Vier wespendieven uit vogelasiels hebben wekenlang rond Bijlsma's
huis rondgehangen om weer te wennen aan de vrije natuur. Dat was
een goede methode om de dieren van dichtbij te bestuderen. "Eén
van die tamme wespendieven heb ik gezenderd en veertig dagen continu
gevolgd. Ik wist alles van hem: waar hij zat, wat hij at."
In weerwil van zijn makheid is de wespendief de minst bekende van
onze inheemse roofpieten. "Wespendieven inventariseren is een
vak apart. Ze zijn zó lastig op te sporen vergeleken met
andere soorten. Het is de meest uitgesproken bosroofvogel, hun nest
is klein en je moet ze elk jaar opnieuw zoeken, omdat ze meestal
nieuwe bouwen, soms wel vijftien kilometer van hun vorige.
Verder beginnen ze laat met broeden, wanneer de bomen al in blad
zitten en de nesten niet meer te zien zijn. Bovendien zijn wespendieven
meestal stil rond het nest. Tegenwoordig broeden ze steeds vaker
in dichte boomkruinen die ze van onderaf aanvliegen. Mogelijk komt
dat doordat de jongen van de wespendief regelmatig slachtoffer worden
van de havik, de geweldenaar onder de Nederlandse roofvogels, die
ook de nesten plundert van sperwer, buizerd en boomvalk". (Zie
ook Natuur&Techniek, 7/8, 2001).
Bijlsma zit soms urenlang in een uit het bladerdak stekende boom.
"Het is de enige manier om hun nesten systematisch op te sporen.
Hier gebruiken we vaak een douglas- of een reuzenzilverspar. We
breken de top uit om een zitplatform te hebben en vrij zicht rondom.
Van daar speuren we de hele dag de lucht af totdat we zien waar
een wespendief met wespenraat in het bladerdak verdwijnt. Door de
vliegrichting vanuit meerdere boomtoppen te bepalen bepalen we de
precieze plek: waar de twee lijnen elkaar snijden. Dit is een tijdrovende
methode die in Nederland slechts een handjevol fanatiekelingen toepast."
Trek
"Waarschijnlijk is de wespendief van origine een Afrikaanse
vogel, die alleen om te broeden naar Europa komt. In het tropische
regenwoud zijn meer soorten wespen en vooral bijen. Dus waarom zou
hij naar ons komen om te broeden? Misschien dat Afrika in het regenseizoen
te weinig wespen biedt om de jongen groot te brengen. Bovendien
heeft hij in het regenwoud veel meer concurrentie om de wespennesten."
Twee keer trok Bijlsma de wespendieven achterna naar Afrika: hij
verbleef een maand in Ghana en een maand in Nigeria, waar hij 25
wespendieven observeerde. "Wespendieven zijn sterke vliegers
die in een klap de Middellandse Zee kunnen oversteken en ook de
Sahara zonder voedselstop in drie dagen overtrekken. De wespendief
is met zijn langere handvleugels een betere vlieger dan de buizerd.
Je ziet ze daarom vroeger op de dag op trek gaan dan buizerds, die
afhankelijker zijn van thermiek".
"We weten nog zo weinig over de wespendief", verzucht
Bijlsma: "Hoe lang blijft hij in Afrika voor hij weer terugkeert?
We vermoeden heel lang, zeker twee jaar, maar misschien wel vier
of vijf jaar. En waarom cirkelen en 'vlinderen' ze? (vlinderen:
met de vleugels wapperen tijdens een sterk golvende vlucht) Waarschijnlijk
heeft dat een signaalfunctie voor andere wespendieven, maar wat
voor signaal?"
De afgelopen jaren deden onderzoekers een bijzondere waarneming.
"We ontdekten dat de meeste wespendieven die naar Nederland
terugkomen hier niets doen! Van de negen wespendievenparen in dit
terrein heeft er nu maar één jongen op het nest. Vijf
paartjes hebben niet eens een nest gebouwd! Waarom is dat? Mogelijk
gebruiken ze die tijd om elkaar en het terrein te leren kennen.
Als ze op hoge leeftijd eenmaal gaan broeden, doen ze dat waarschijnlijk
een paar jaar opeenvolgend. Een langlevende soort kan zich dat veroorloven."
Wespendieven leven waarschijnlijk langer dan tot nu toe werd aangenomen.
"Ik ken verschillende wespendieven die hier al twaalf jaar
zitten!"
Een goed wespenjaar
"Wespendieven leven vooral van de gewone en Duitse wesp en
daarnaast van de rode, Noorse, Saksische wesp en de enorme hoornaar.
De roofvogel gaat vaak op tak meter een meter of vijf boven de grond
zitten en speurt van daar af naar een boomkroon. Wespen patrouilleren
rond de toppen van boomkronen, waar op de uiteinden van de takjes
de jonge, verse scheuten zitten. Daarvan vreten de rupsjes, wantsen
en andere insecten, de prooien van de wespen. De wespendief volgt
de wespen als ze met een prooi onder hun lichaam naar het nest vliegen.
Bijlsma is evenzeer gefascineerd door het voedsel van de vogel:
"Ik geef elk jaar een waardering van 1 tot 5 als index voor
hoe goed het wespenjaar is. Ik heb daarvoor vier indicaties: het
aantal nesten aan mijn huis, dat varieert van nul tot zeven, het
aantal nesten dat ik tegenkom tijdens het veldwerk, de grootte van
de nesten in het veld, gemiddeld omvatten die zo'n 500 tot 700 werksters
en de indruk van een lokale groenteboer in Diever, die ik vraag
of hij veel of weinig last van wespen heeft." Bijlsma heeft
ook getracht de wespen te merken om het verloop in de populatie
te volgen. "Die had ik aangetrokken door vlees neer te leggen
en aan de hand van terugvangsten schattingen te maken, maar dat
lukte me niet goed."
Alleen de wespenkoningin overwintert. Ze hangt aan haar kaken in
een muizenhol of onder een dakrand. Als ze aan haar poten zou hangen,
zou de de kou vat op haar krijgen. Ze begint zelf met een kolonietje
van vijf tot twintig larven, waarvoor ze in haar eentje eten aansleept.
Bij slecht weer in mei is de kans groot dat het de koningin niet
lukt om een nest te starten. Als er veel nesten zijn, zijn er echter
ook veel parasieten die de larven en poppen infecteren, waardoor
er in jaren met mooi weer soms zelfs minder wespen uitvliegen dan
in een koud jaar.
Bijlsma probeert ook te voorspellen of het een goed wespenjaar wordt.
"Eigenlijk is dat niet goed te doen. Een hete zomer lijkt gunstig,
maar hoeft dat niet te zijn: de wespen moeten dan met hun vleugels
het nest koel houden en dat kost veel energie. In een strenge winter
kan de koningin bevriezen. Maar een kwakkelwinter is net zo min
gunstig, want dan worden de koninginnen tussentijds wakker en komen
ze in een halfwinterslaap, die meer energie kost. Hoe meer ik kijk,
lees, hoe meer ik me verdiep, hoe minder zeker ik ben. Eigenlijk
weet ik nog helemaal niets".
[foto]
Jonge wespendieven
De wespendief mist de strenge blik van andere roofvogels. Bij hem
ontbreekt het botje boven het oog ter bescherming bij een wilde
jachtvlucht. Wespen moet je opgraven, vandaar wel de stevige tenen
en vlakke nagels.
Gerard Müskens
Rob Bijlsma
... legt uit hoe je een wespendief herkent:
"Als je in de zomer rond een bos op de zandgronden een roofvogel
ziet cirkelen, is het meestal een buizerd. Maar als de vogel een
slanke, vér uitstekende kop heeft en cirkelt met rechte vleugels
in plaats van in een lichte V, dan is het een wespendief.
loopt geen wetenschappelijke congressen af. "Je hoort
daar zelden iets nieuws en alle praatjes staan ook op papier."
... verslindt literatuur van over de
hele wereld: "Veel Brits onderzoek, dat toch toonaangevend
is, negeert de Nederlandse, Duitse en Russische literatuur volkomen.
Zelf heb ik een Rus in Estland op eigen kosten aan het werk gezet
om Russische literatuur over wespendieven te vertalen. Want wat
je in Nederland vindt, hoeft nog niet overal geldig te zijn voor
een soort. Langdurig en intensief onderzoek aan de koolmees geeft
bijvoorbeeld verschillende resultaten in Nederland als Engeland."
... heeft geen auto en pas sinds kort tv.

|
|
|