|
|
Domme Tukkers
"Niet omdat ik veel verstand heb", zegt Bram Tankink
in zijn verslag van de eerste tourdag. Typisch Twentse opmerking.
Is die Twentse bescheidenheid niet misplaatst? Maar liefst drie
van de negen Nederlandse wielrenners in deze Tour is Tukker. Dat
is tien keer zoveel als verwacht mag worden op grond van het inwonertal
van Twente; ongeveer 560.000 , 1/30 van de Nederlandse bevolking.
Even wat oude wielerkoeien uit de sloot trekken: Twent Hennie Kuijper
won vier wielerklassiekers, werd twee maal tweede in de Tour en
in 1976 wereldkampioen. En streekgenoot Hennie Stamsnijder won in
1981 het WK veldrijden.
Weemoed slaat onverbiddelijk toe als ik die nasale Tukkerse tongval
ergens hoor. Ik waan me weer even in het Losser van de jaren '70.
De blekerhuisjes, de Martinustoren met zadeldak, het kleine Hervormde
kerkje bij het dorpsplein. Soft-ijsjes voor een kwartje aan de Brinkstraat.
De typische geur van de CVO-schooldeur aan de Kloosterstraat. Langs
landweggetjes in de Zoeke paardebloembladeren verzamelen voor de
konijnen. Op de achtergrond waakt de robuuste rechthoekige toren
van Van Heek, vertegenwoordiger van de textielindustrie waarmee
Twente's historie zo vervlochten is. Dennenappels zoeken voor de
open haard in het Lutterzand, waar naaldbomen donker afsteken tegen
de steile, witte Dinkeloevers. Of wandelen op de Tankenberg, door
een licht besneeuwd december-landschap, waar rook kringelt uit de
schoorsteen van een 'Los Hoes', verscholen tussen dikke eiken. Midwinterhoorns,
paasvuren, essen, houtwallen, watermolens
zucht
laat ik
nu maar ophouden, anders glijdt mijn lyriek nog af naar blozende
deerntjes en watervallen, waardoor we verzeild lijken in een Balkanvolkslied.
Herman Finkers' snor lijkt een verbaasde oogopslag te onderstrepen,
net als die van wijlen Willem Wilmink. "Ik kom oet Losser en
ik weet van niks" was een gevleugelde uitdrukking in ons dorp
en ook met "Kom d'r in, kuj je d'r oet kieken", blaast
de Twent niet al te hoog van de toren. De opmerking "De wijzen
komen uit het oosten", drukt dan ook niet zozeer eigen wijsheid
uit, maar veeleer weerzin tegen de arrogantie van de Randstedeling.
In deze individualistisch tijd zou je bijna terugverlangen naar
de Twentse traditie van het 'naoberschap'. Buren die onaangekondigd
bij elkaar achterom lopen en die elkaar zonodig materieel steunen.
Bemoeizucht met het wel en wee van buurtgenoten is de keerzijde
daarvan. "Heij 't a heurt van Olde Riekerink, tis toch wat
hè", klinkt het hoofdschuddend. Maar over zijn eigen
zieleroerselen heeft de Tukker het liever niet. "Gaat het wel?".
Op zo'n vraag krijg je een aarzelende hoofdknik en een gemoedelijk
"Joa, joa", waarmee de rechtgeaarde Twent werkelijk van
alles kan bedoelen. Een outsider als Hans Dorrestein houdt 'm dan
ook voor achterlijk. Na een bezoek aan Almelo merkte hij op: "het
leek wel of een Duitse boer zijn varkensstallen had laten openstaan."
Twenten laten zich daardoor echt niet van de kook brengen - wij
wéten immers dat varkens hele intelligente dieren zijn.

|
|
|