|
Kersverse supporter bij NEC-FC Utrecht
Het leek wel of er gesnik uit zijn kamer kwam. Mijn
zoon Kjelt lag al uren in bed. Ik keek voorzichtig om de deur. Betraand
keek hij op. "Ik ben zo bang dat ik nooit meer mag voetballen."
Tja, leuk is anders. Eerst zijn volwassenen geregeld kribbig tegen
'm omdat hij niet genoeg doorloopt, niet goed genoeg fietst of zwemt.
Hij moest dus meer aan sport doen om zijn conditie te verbeteren.
Had hij eindelijk een sport gevonden waar zijn hart van opbloeit,
mocht dat ook ineens niet meer. In de afgelopen kerstvakantie stond
Kjelt eens op met een stekende pijn in zijn heup. Oorzaak blijkt
een Coxitis fugax, een heupontsteking.
Drie jaar geleden had hij dat ook al eens. Destijds
was op de röntgenfoto een breuklijn in de heupkop zichtbaar, waardoor
Ziekte van Perthes werd vermoed. Na maanden in een rolstoel, bleek
de breuklijn verdwenen en mocht hij alles weer. Nu voetbalt hij
ook weer na een maand rust, maar bewegen blijft problematisch. Kjelt
heeft slappe gewrichtsbanden, een lage spierspanning en is snel
vermoeid, waardoor hij gemakkelijk struikelt en niet urenlang kan
blijven zitten. Bij een volgende heupontsteking zal hij weer maanden
niet mogen voetballen en misschien wel nooit meer. Al wordt er veel
geschamperd over zijn matige voetbalkwaliteiten, zijn enthousiasme
is er niet minder om…
Ik ontwikkelde juist een hartgrondige afkeer doordat
ik als dromerig jongentje ook vaak als laatste werd gekozen. En
als natuurmens en vogelaar stond ik ver af van de schreeuwerige
wereld van stadions, gewelddadige hooligans, grote transferbedragen
en arrogante, luie sterren. Ik zou ook wel niet passen tussen supporters
- échte mannen, bierdrinkend en schuine moppen tappend. (Tijdens
de finalewedstrijd van de EK in '88 hingen wij als 'flinkse' studenten
provocerend een vlag van de Sovjet-Unie voor ons raam)
Het is natuurlijk maar net door welke bril je naar
het fenomeen kijkt. Nadat ik wat innerlijke barrières had geslecht,
zag ik ook dat de jongens in onze buurt elkaar dankzij straatvoetbal
leren kennen, dat ze op een positieve manier hun energie kwijt kunnen,
dat voetbal de integratie bevordert en dat clubliefde de stad samenbindt.
"Ik kan haast niet geloven dat ik nu naar een échte
wedstrijd ga...", herhaalde Kjelt tot een halfuur voor aanvang van
NEC-FC Utrecht, eergisteren. Kjelt zocht op internet naar de opstellingen
(nuttige zoekoefening), tekende deze uit met namen, rugnummers en
nationaliteiten (mooie schrijfoefening) en ik mocht hem daarover
weer overhoren (goede geheugentraining).
In de Goffert zit ik naast een bejaarde Brit, die
al 17 jaar lang trouw naar het stadion komt, ook al ziet hij te
weinig om er veel van mee te krijgen. Hij doet het vooral om 'zijn'
NEC te steunen: een staaltje ontroerende clubliefde. Ik zie de glans
in Kjelt's ogen onder zijn rode NEC-pet: hij roept mee met het publiek,
springt op, moedigt aan, volgt alles in grote opwinding. Een hele
geruststelling: al mag hij straks misschien niet meer voetballen,
we hoeven zijn vuur in elk geval niet te doven…

|