|
|
Stamboom:
over een sterke, noeste eik
De enige Kor Goutbeek op deze planeet ben ik. Ik wàs overigens
niet de enige. Tussen 1965 en 1989 liepen er maar liefst twee Kornelissen
Goutbeek rond. Het is ergens in 1970. Ik word 's avonds wakker gemaakt
door papa en even later zit ik slaapdronken in pyjama op de achterbank
van opa's Ford Escort, kijkend naar gele en witte lichtstipjes,
die in snoeren door de duisternis trekken. Wat een avontuur!
Opa vouwde
bootjes van kranten, die hij op de vijver liet drijven. Hij liet
trots zijn verzamelingen postzegels, sigarenbandjes en munten zien.
We wandelden samen in het bos. Hij tekende paarden en auto's, waarbij
zijn tongpuntje van opperste concentratie uit zijn mond krulde.
Ik sliep op zolder. Het hoge raam had geen gordijn, waardoor ik
vanuit m'n bed de sterrenhemel zag. Mijn grote logeerbed zakte sterk
door en was bedekt met een zwaar sprei, door oma gehaakt. Voor het
middageten hing de geur van gebakken spek in huis - die ging met
yoghurt over de sla - en op de radio zongen Christelijke mannenkoren
bij de NCRV. Opa had een onmiskenbaar postuur. Zijn lichaam was
breed en gedrongen, zijn vingers grof, eeltig en sterk, zijn schedel
plat, ingedeukt en kaal. Pretoogjes. Markant waren zijn aan de bovenkant
iets uitstaande oren. Een tijdloze verschijning: ik had het idee
dat hij zo geboren was.
In 1987 vroeg
hij mij waarom ik niet naar een familiefeestje kwam. Eens per jaar
nodigde hij de hele familie uit in een restaurant in de omgeving
van Dalfsen. Ik zei hem dat ik het te druk had met mijn stageverslag.
Maar ik vond die familiedag ook niet zo belangrijk. Als kind vond
ik ze enorm gezellig, maar na mijn puberteit werd dat minder. Ik
kreeg het gevoel ter verantwoording te worden geroepen: "Heb
je al een rijbewijs, heb je al een vriendin, wanneer ben je klaar
met je studie?".
Kornelis had
graag zijn familie compleet. Niet voor niets kerfde hij de namen
van zijn kinderen en kleinkinderen in een beukenlaan richting Hoonhorst.
Nu ik zelf kinderen heb, begrijp ik hoe intens dat gevoel van verwantschap
kan zijn. Met de hele familie aan een lange tafel eten drukt iets
uit van: "Wat er ook gebeurd is, hoe verschillend we ook zijn,
wij hóren bij elkaar." Sorry, Kornelis.
Hadden wij
iets gemeen? Op het eerste gezicht niets. Hij was een spaarzame,
harde werker, terwijl zijn eerste kleinzoon dromerig en kinderlijk
leeft met de dag. Pas in de loop der jaren ontdek ik enkele overeenkomsten.
Hij was lange tijd een sappelende zelfstandige die de eindjes aan
elkaar knoopte door hovenierswerk en de verkoop van uiteenlopende
spullen - almanakken, tabak, klompen, groentezaden, boeken. Ik scharrel
mijn kostje ook zo'n beetje bij elkaar, met schrijven en aanverwant
werk. En we zijn behept met dezelfde merkwaardige trots, of, zo
u wilt, schaamte. In 1934 werd in de gereformeerde kerk vanaf de
kansel een boek aangeprezen van ds. Kroes. "Het is voor 35
centen te koop bij een arme broeder in de gemeente, de heer Goutbeek",
vermeldde de dominee, in de hoop daarmee de verkoop te stimuleren.
Kornelis vond het vernederend.
Hij werd begraven
op een stralende dag in september: heel gepast zongen de vogels
alsof de lente in de startblokken stond. De zonnegloed deed de bloemenkleuren
nog een keer opvlammen. Opa was zijn leven lang geboeid geweest
door de vogels, de bloemen en de bomen. Dat hadden wij in elk geval
gemeen. Aan het eind van zijn leven, toen zijn geest na een beroerte
niet zo helder meer was, riep hij ineens 'gingko biloba' - een messcherpe
diagnose van een merkwaardige boom langs het pad. Kornelis Goutbeek,
ik weet zeker dat we ooit weer samen aan een lange tafel zitten,
onder het lover van een oude eik

|
|
|