|
|
Laat de stad het boerenland
maar overwoekeren!
Herfst. Een dikke druppel klampt zich
vast aan de onderkant van een blad. Een windflard breekt zijn weerstand.
De druppel valt, en maakt kringen in een plas. Grauwe oktoberluchten,
met plotseling doorbrekende stralen gouden zonlicht. Zwiepende takken,
opwaaiende bladeren, Met de kinderen zoeken naar kastanjes, paddestoelen
en beukennootjes. En genieten van het mooiste herfstfenomeen: de
verkleuring van de boombladeren.
Daarvoor moet je natuurlijk de stad,
de wereld van grijs, smerig beton,
asfalt, vervuiling en criminaliteit - ontvluchten en uitwijken naar
het
rustieke, groene, idyllische platteland, bulkend van rust en harmonie.
Daar is de wereld nog zoals God bedoeld had. Helaas rukt de stad
op en raakt het boerenland in de verdrukking, dus: trek de groene
grens!
Als het om het om de natuur, de planten
en dieren gaat, is dat een onzinnige campagne. In de natuurbescherming
staat het begrip biodiversiteit (variatie aan soorten) centraal.
Uitgerekend steden zijn zeer rijk aan soorten. Om op de herfstverkleuring
terug te komen: steden tellen al gauw tien keer zoveel boomsoorten
als het boerenland. Als je de herfst op zijn spectaculairst wilt
beleven, moet dat multicultureel, want de uitheemse soorten zijn
vaak het kleurrijkst. In de stad zijn de meest exotische soorten
aangeplant in parken, tuinen en langs wegen: alleen daar zie je
het vlammende rood van bijvoorbeeld moeraseik, Japanse esdoorn en
amberboom.
De stad is niet alleen rijk aan aangeplante
soorten, maar ook aan spontane gasten. Steden tellen immers een
keur aan onderkomens voor plant en dier: daken, grachten, riolen,
volkstuinen, begraafplaatsen, bermen, braakliggende terreinen, speeltuintjes,
vuilstorten, trapveldjes, boomsingels, vijvers etc. etc. Veel meer
biotopen dan landbouwgrond, dat vooral keuze kent tussen ófwel
strakgemaaide weilanden ófwel zwaarbemeste akkers.
Niet alleen huismijt en stadsduif voelen
zich in de stad thuis, zelfs
roofvogels en roofdieren. De roofvogels
hebben een fenomenale opmars naar de stad gemaakt: telde Amsterdam
in 1992 zijn eerste paartje sperwers, nu zijn het er 30. De meest
spectaculaire roofvogel van Nederland, de slechtvalk, werd dit jaar
verdacht vaak gezien rond de Hemwegcentrale. De slechtvalk is het
snelste levende
wezen: hij kan in duikvlucht 330 km/uur bereiken. In Nederland broedt
hij
niet in afgelegen natuurgebieden, maar uitsluitend op de koeltorens
en
schoorstenen van elektriciteitscentrales - onze kunstmatige rotsen,
zeg
maar.
's Nachts is de stad het domein van roofdieren.
Onze huiskatten zijn op
strooptocht, maar ook wezels, hermelijnen, bunzings en niet te vergeten
vossen, die zich uitstekend aan de grote stad hebben aangepast.
Amsterdam is intensief geïnventariseerd op de meest uiteenlopende
groepen planten en dieren. Het resultaat is verbluffend: zoogdieren:
29 soorten, vogels: 250, vissen: 66, slakken: 61, schelpdieren:
56, dagvlinders: 36, planten: 800, paddestoelen: 1100. Daar kan
geen landbouwgebied aan tippen!
En de stad heeft nog talloze mogelijkheden
om natuurrijker te worden: door natuurvriendelijk bermbeheer, door
meer ruimte te geven aan water en natuurlijke oevers. Door groenstroken
aan te leggen van de stadsrand regelrecht naar het centrum. Of iedereen
een dak te gunnen van sedum, mos of gras - dan zou de stad van bovenaf
ineens compleet vergroenen!
Elke Amsterdammer die dat wil een eigen
tuin, zou een geweldige impuls geven aan het woongenot, maar ook
aan de biodiversiteit (als de Mokumer bijvoorbeeld eenderde van
dat tuintje zou laten verwilderen). Amsterdam wordt dan wel 2 x
zo groot. Toch lijkt het me zinvoller daarin te investeren dan om
het Groene hart krampachtig agrarisch te houden. De zonnende, slenterende,
honduitlatende, fietsende stedeling wil toch veel liever groen voor
zijn deur of achter zijn huis dan in het Groene hart?
Trouwens,
waarom zouden wij, natuurfreaks
en vogelaars, toch zo vaak het platteland verkiezen boven de stad?
Misschien is natuurliefhebberij een vorm van mensenschuwheid: we
zijn niet op weg náár de natuur, we zijn op weg ván
de mensen.
|
|
|