|
|
Zeiken
Een koffievlek. Dacht ik. Helaas. Beetje
gênant om u dit op een doordeweekse dinsdag zo maar toe te
vertrouwen, maar euhhh....de vlek bleek te komen doordat ik nadruppelde.
Wat moet zo'n jonge, frisse vent nou met zo'n ouwe-lullenkwaaltje?
Tijd voor de uroloog dus. (Stop nu met lezen als u niet van zeikverhalen
houdt.)
Ik heb geen evenwichtige relatie met
artsen. Sterker nog, ik kijk zó hoog op tegen deze scherprechters
over leven en dood, dat ik er nekpijn van krijg. Ik krimp minstens
25 centimeter als ik tegenover de mannen of - steeds vaker - vrouwen
in witte jassen zit. Zij weten me vaak met een kluitje in een labyrint
van medisch vocabulaire te sturen, waarin ik verward achterblijf.
Doorgronden ze wellicht met één ijskoude medische
blik mijn ongetwijfeld door-en-door verrotte psyche? Welk alles
ontwrichtend levensadvies staat me te wachten? Nooit meer koffie?
Niet te lang naar de lucht staren (ik ben vogelaar moet u weten)
?
Terug naar de uroloog. Er werden röntgenfoto's
van mijn blaas gemaakt. Bij elk onderzoek ben ik bang dat zal blijken
dat ik volslagen afwijk van de rest van de mensheid, dat ik te horen
krijg: "Zo'n curieuze blaas heb ik nou nog nooit aangetroffen,
ook niet in de medische literatuur." Kortom, dat ik er eigenlijk
niet bij hoor. Ik vraag aan de secretaresse van urologie - geforceerd
laconiek - of de uitslag van de foto's niet telefonisch gegeven
kan worden. "Nee, nee, u moet absoluut een afspraak met de
dokter hebben om 't bespreken." Dat zal toch wel een slecht
teken zijn, dat ik zelf moet komen. Het zal wel zó mis zijn,
dat me dat persoonlijk verteld moet worden.
Op de dag van de afspraak schijnt de
zon. Maar het licht is zo raar, zo
schel. De wereld is bleek in plaats van warm. In gedachten verzonken
fiets ik naar het ziekenhuis, onderweg schrikkend van elke auto
die te dicht langskomt. Een rijtje bolderkarren lijkt ineens op
doodskisten. In de wachtkamer kan ik het niet opbrengen iemand aan
te kijken. Ik heb een tijdschrift openliggen, maar lees niets. Ik
probeer een artikel steeds
opnieuw, maar ik weet bij de tweede zin al niet meer waar het over
gaat. Ik kijk op de klok. En weer. Tik, tik, tik. En even later
weer. Tik, tik, tik. Een zwaar zuchtende buurman. Twee minuten voorbij.
Druk op m'n oren.
"Meneer Goutbeek?" zegt een
verpleegster op vlakke routinetoon, "loopt u maar even mee,
neemt u op deze kamer maar even plaats, de dokter komt zo".
Zo? Is dat over 1 minuut of over 10 minuten? Ik kan het niet vragen,
mijn stem zit op slot. Ik zit alleen. Een kale kamer. Alles is van
grijs metaal. Mijn blik schiet rond in de hoop zich ergens aan vast
te kunnen klampen. Op een prikbord hangt een kaart met Winnie de
Poeh. Van een dankbaar patiëntje?
Die zal dan ondertussen wel dood zijn. Er ligt een grote enveloppe
op tafel. Daar zullen de röntgenfoto's wel inzitten. Zal ik
vast kijken? Maar mijn handen willen niets anders dan de tafelrand
vastklemmen. Ik kijk weer naar de klok. Ineens zwaait de deur open,
een magere man met fladderende witte jas komt met grote passen binnen,
drukt op het knopje van de lichtbak en schuift er met een zwierig
gebaar twee foto's op. Ik zie een grote vlek in mijn blaas, een
enorm gezwel. Mijn voorgevoel blijkt bewaarheid. Ik ga dood. Ik
weet 't zeker. Mijn oren suizen. De kamer wordt vaag. Zweetstralen
stromen langs m'n rug. Op de achtergrond, als door een koker, hoor
ik: "Het ziet er wel goed uit hoor, meneer Goutbeek, afgezien
van die koffievlek op de afdrukken."
|
|
|