k o r  g o u t b e e k
t e k s t
n a t u u r
i n t e r n e t c o n c e p t e n
c o l u m n s
z a k e l i j k e  i n f o
v r a a g  e e n  o f f e r t e  a a n
    c o l o f o n
    h o m e
    a d r e s g e g e v e n s
   

 

 

Met papa op de paardenmarkt

Ik ben vier. En loop rond op een paardenmarkt, ergens in Twente. Met mijn vader. Het is koud. Ik heb een raar gebreid bruin hoofddeksel op, met een klep en oorflappen. De paarden staan groot en goedmoedig achter een touw. Hun warme neuzen ademen wolkjes waterdamp. Ik verwonder me over de stevige haren op hun kin en de grote, zachte lippen. Ik stap dapper rond: de paarden zijn niet eng, want papa is dichtbij. En vaders zijn groot, sterk en alwetend. De wereld voelt geborgen en goedaardig.

Ik ben negen. We zijn op vakantie in Saarland. Terwijl de Duitsers in ons pension zich er over verbazen dat we het WK van '74 aan ons voorbij laten gaan, wandelen wij 's avonds laat het donkere bos in. Spannend. Maar met vader erbij durf je de wereld wel te verkennen. We zien in het donker vuurvliegjes oplichten - een betoverende ervaring!

Ik ben dertien. Wij spelen monopoly aan de keukentafel. Door m'n dromerigheid heb ik soms niet eens in de gaten dat ik aan de beurt ben. Mijn 10-jarige zusje daarentegen is geconcentreerd op het spel, alert en meedogenloos. Ik vind het pijnlijk vernederend dat ik meestal van haar verlies. Mijn vader is de bank en coulant: hij geeft me tips en knipogen en probeert me zoveel mogelijk uit de wind te houden.

Ik ben negentien. Ik woon als student in een huis met een ex-gevangene, Freddie. Ik leen hem geld, steeds vaker en meer - iedereen verdient immers een nieuwe kans. Het draait er op uit dat ik naar mijn centen kan fluiten en bovendien beroofd wordt van mijn verrekijker en stereo-installatie. Als dan ook nog blijkt dat Freddie een stiletto en mogelijk zelfs een vuurwapen in huis heeft, bel ik overstuur naar huis. Mijn vader haalt me natuurlijk meteen op, verbaasd en geduldig glimlachend om mijn naïviteit.

Van kleins af aan kijk ik al op tegen zijn brede vingers, zijn behaarde en gespierde armen. Armen die passen bij daden en weinig woorden. Armen die het kunnen opnemen tegen de soms spijkerharde Grote Boze Wereld, waarmee ik confrontaties zo lang mogelijk probeer uit te stellen en vermijden.

Zo'n stille, sterke vader hoort natuurlijk geen tumor in zijn dikke darm te krijgen, zeker niet met mogelijke uitzaaiingen in de lever. Ik schrik dan ook nogal en kan dat niet helemaal voor mijn zoons verbergen. Jitse, mijn jongste van zes, vraagt aan de telefoon daarom wel een paar keer aan opa hoe het met hem gaat. En hij vliegt hem om de hals zodra we er zijn. Mijn vader gaat met hem naar de bakker, bolletjes halen voor de lunch, kennelijk om Jitse gerust te stellen: "Hij denkt toch niet dat het heel erg is?". In een flits zie ik mezelf weer staan op die paardenmarkt…



   
 

   
 


© v l o e d l i j n - 2 0 0 6