|
|
Monsters onder het bed
van de kleine man
"Op! Rui! Men! Nu!". Of: "Ruim
je kamer nou eindelijk eens op!". Zulke
bezwerende formuleringen galmen met trapgat-overstijgend volume
door
duizenden Nederlandse huizen. Er zijn zo van die uitroepen, die
zijn van
alle tijden en plaatsen. "Ik kan nét zo goed tegen de
stoelen of banken
aanpraten", brieste m'n moeder regelmatig, soms met overslaande
stem. Met terugwerkende kracht voel ik me schuldig, zeker nu ik
zélf ouder ben. Toen dacht ik alleen maar: "Altijd dat
gezeur over m'n kamer opruimen, je ziet toch dat ik het te druk
heb met een strip lezen? Misschien
straks, als ik dit boek uit heb of anders morgen of een andere keer.
Wat een hoop drukte over kleinigheden. Ik zou trouwens niet eens
weten waar ik zou moeten beginnen, het is zo veel, pffff...".
Of, nog erger, ik dacht vaak zelfs helemaal niks. Ik had het bandje
al zo vaak gehoord, het hoorde gewoon bij het interieur, bij de
achtergrondruis.
Maar inmiddels sta ik aan de andere kant,
en sta ik zelf tegen stoelen, tafels, muren, nee, betonnen bunkers
aan
te praten. Een fris vooruitzicht: ik zal nog wel 10 jaar lang kunnen
smeken, zeuren, dreigen of vriendelijk verzoeken, maar de kans dat
ze helemaal spontaan, uit zichzelf, op het idee komen hun kamer
op te ruimen, zal klein blijven.
Kinderen beschikken over een ongekend
talent om hun slaap- en speelvertrek
in een waar slagveld om te toveren. Eerst met de Lego spelen, dan
de
Playmobil, kleurboeken, viltstiften, Bionicles, Knecks, knikkers,
spinners, (jaja, ik hoor het u denken, we hebben ze ook veel te
veel gegeven) alles begint door elkaar te stromen en de vloed zwelt
aan, totdat op een gegeven moment de aanstichter van al dit uitgelezen
speelplezier er zelf niet meer bij past. Die gaat uit nood dan maar
buiten spelen.
Als de zesjarige later zijn kamer binnenkomt,
beseft hij plotseling dat hij
een probleem heeft. Hij denkt twee dingen: "Ik wil deze zooi
niet opruimen!" en "Ik wil niet dat papa en mama boos
worden!". Een spagaat tussen deze twee voornemens is onvermijdelijk.
Heel volwassen kiest hij voor een waterige, compromis-achtige oplossing,
waarbij hij zichzelf niet al te veel hoeft in te spannen, maar waardoor
vader en moeder tevreden gesteld worden, althans op de korte termijn.
De hele santenkraam wordt met woeste veeg- en duwbewegingen onder
het bed geschoven, nog wat aanduwen en aanstampen en een probleem
is op de wat langere baan geschoven. Ziezo.
Maar schuldgevoel kruipt waar het niet
gaan kan. 's Nachts droomt de kleine man dat de rommel onder zijn
bed apocalyptische dimensies begint te krijgen. "Mama, mama,
- tja, als de nood hoog is, komt meestal de navelstreng weer opzetten
- er zit een monster onder mijn bed. Kijk nou even." Slimme
zet van deze zoon. Moeders zal nu immers zien dat de troep gewoon
onder zijn bedje ligt, maar ze zal in deze nachtelijke, kwetsbare
setting niet boos worden. Dat is opbrengst één. Opbrengst
twee is dat de jongen nu zeker weet dat moeder het weet, van die
rommel. Want twijfel - zijn ze nu boos dat ik niet écht opgeruimd
heb, weten ze het wel, maar zijn ze niet zo boos óf hebben
ze het nog niet gemerkt - heftige twijfel is een ware afgrond. Die
knaagt, die vreet. Met dit 'monster onder het bed'-scenario is dat
allemaal in één klap opgelost. Moeder weet het, zij
zal er niet meer kwaad over worden, de kleine man kan eindelijk
rustig slapen. En de volgende dag zal weer vertrouwd door het huis
galmen: "Ruim je kamer nou eens op!"

|
|
|